Of we, zoals was afgesproken, op het tien-minuten-gesprek willen komen. Mijn hartslag verhoogt meteen. Wat is er nu weer aan de hand. Nee, pep ik mijzelf op, niet gelijk het ergste denken. Het rapport was prima, dus dat kan het niet zijn. Z’n gedrag dan? Nee, zeg ik opnieuw tegen mezelf, wacht het gesprek nu even af. En dat lukt me aardig.
‘Hebben jullie nog vragen, anders begin ik.’, zegt juf. Wij hebben vragen genoeg. Gaat het goed in de klas? Is hij niet te druk? Vraagt hij veel of probeert hij het ook zelf? Hoe is hij tussen de leswisselingen door? Hoe gaat het ’s ochtends vroeg? Hoe ligt hij in de groep?
Eigenlijk komt alles aan bod. Het gaat heel goed met zoonlief op school. Hij heeft vriendjes. Doet zijn stinkende best. Wat heerlijk om te horen. Toch ziet juf dat er nog steeds een discrepantie is tussen de citoscores en de rapportcijfers. Er valt dus nog ergens winst te behalen, maar waar? Juf stelt voor dat zoonlief aan het einde van het schooljaar alle cito’s weer buiten de klas maakt om te zien hoe het dan loopt.
Ruim twintig minuten later lopen we vol trots naar buiten. Wat hebben we toch een heerlijk kind! En wat fijn dat juf dat ook vindt!